De afgelopen weken krijg ik opvallend veel mails. Van goedbedoelende ademspecialisten, coaches en therapeuten die zich hardop afvragen — of online stellig verkondigen — dat topsporters “het verkeerd doen” als ze met de mond open sporten. Zeker nu, op het grootste podium dat sport kent: de Olympische Spelen.
Laat ik daar meteen helder over zijn: topsport is geen zondagse tien kilometer. En het is ook geen rustige schaatstraining in een overdekte hal. Wie gaat voor honderdsten van seconden, maximale vermogens of een medaille die maar eens in de vier jaar te winnen is, opereert in een ander fysiologisch domein.
Maximale inspanning vraagt een passende ademhaling
Wanneer het lichaam om maximale zuurstof vraagt — bij sprints, eindsprints, intensieve intervallen of langdurige piekbelasting — hoort daar soms ook een andere ademstrategie bij. Niet omdat neusademhaling “slecht” is. Integendeel. Maar omdat de context verandert.
Het is eenvoudig om op papier te zeggen:
-
neus = goed
-
mond = fout
In de praktijk is ademhaling niet zwart-wit. Ze is grijs. Dynamisch. Afhankelijk van:
-
intensiteit
-
duur
-
omgeving (kou, hoogte, hitte)
-
trainingsfase
-
herstelstatus
-
individuele anatomie en voorgeschiedenis
Een olympisch atleet die in een finale zijn mond opent, doet dat zelden uit onkunde. Het is vaak een noodzakelijke opschaling van ventilatie om aan de metabole vraag te voldoen (O2 en CO2).
Waar de échte winst zit (en waar je die níét ziet)
Wat mij in deze discussie vaak stoort, is dat we kijken naar het moment van maximale belasting, terwijl de grootste ademwinst juist elders ligt:
-
in de trainingszaal
-
tijdens techniektraining
-
in herstelblokken
-
’s nachts
-
en ja, soms gewoon thuis op de bank
Daar worden fundamenten gelegd:
-
betere CO₂-tolerantie
-
efficiëntere diafragmafunctie
-
betere ribmobiliteit
-
rustiger autonoom zenuwstelsel
-
minder disfunctionele spanning
- Verbeterde respiratoire veerkracht overall.
Die progressie zie je niet altijd terug op het wedstrijdbeeld. En dat hoeft ook niet. Juist niet.
Topsport is contextueel, niet dogmatisch
Natuurlijk is er ook in de topsport ruimte voor verbetering. Absoluut. Maar die verbetering zit zelden in het simpelweg afdwingen van “mond dicht houden” tijdens maximale inspanning. Dat is alsof je tegen een Formule 1-auto zegt dat hij zuiniger moet rijden tijdens de laatste ronde.
Ademhaling is een vaardigheid. En vaardigheden zijn contextafhankelijk.
Wat functioneel is in herstel, kan disfunctioneel zijn in competitie — en andersom.
Leren onderscheiden in plaats van veroordelen
De echte stap voorwaarts, ook voor ons als ademspecialisten, is niet harder roepen wat fout is, maar beter leren onderscheiden:
-
Wanneer is neusademhaling ondersteunend?
-
Wanneer is mondademhaling functioneel?
-
Wanneer schakelt een lichaam terecht op?
-
En wanneer zien we compensatie of verlies van efficiëntie?
Dat vraagt kennis, nuance en vooral praktijkervaring — niet alleen theorie.
Tot slot
Als we ademhaling serieus willen positioneren binnen sport en prestatie, dan moeten we af van simplificaties. Topsport vraagt geen dogma’s, maar fysiologisch realisme.
Ademhaling is geen ideologie.
Het is een adaptief systeem.
En wie dat begrijpt, kijkt met andere ogen naar een sporter die op het beslissende moment — met de mond open — alles geeft wat hij in zich heeft. En is dan wellicht ook wat voorzichtiger in de publieke uiting hierover.


