Ademhaling begrijpen voorbij CO₂-tolerantie

Over CO₂, het brein en waarom een lange adempauze maar een deel van het verhaal vertelt.

Stel je twee mensen voor. De eerste verdraagt tijdens ademoefeningen behoorlijk wat ongemak, maar houdt het onder water minder lang vol dan verwacht. De tweede kan zijn adem lang inhouden, terwijl zijn ademhaling gedurende de dag relatief snel of onrustig oogt.

Als je ademhaling uitsluitend verklaart vanuit CO₂-tolerantie, lijken die observaties moeilijk met elkaar te rijmen. Zodra je onderzoekt welke systemen bij beide taken betrokken zijn, wordt het begrijpelijker. Je ademhaling wordt voortdurend aangepast aan de toestand van je lichaam, de activiteit die je uitvoert en de omstandigheden waarin je je bevindt.

Daarom begint een goede beoordeling met een precieze vraag: wat meet je wanneer je iemand vraagt zijn adem in te houden of langzaam uit te ademen?

Het directe antwoord is eenvoudig: hoelang die persoon onder bepaalde omstandigheden een bepaalde taak volhoudt. De verklaring voor die tijd is veel minder eenvoudig. Daarvoor moeten we kijken naar chemische regulatie, beschikbare gasvoorraden, de mechanica van het ademen en de verwerking van lichamelijke signalen in het brein.

CO₂ speelt daarin een fundamentele rol. Terwijl je cellen energie gebruiken, produceren ze koolstofdioxide. Via de circulatie bereikt dat CO₂ de longen, waar het kan worden uitgeademd. De verhouding tussen productie en afvoer beïnvloedt de CO₂-spanning in het bloed. Omdat CO₂ nauw samenhangt met de concentratie waterstofionen, helpt de ademhaling ook om de zuurgraad van het lichaam te bewaken. [1]

Centrale chemoreceptieve netwerken reageren op veranderingen in hun chemische omgeving, waaronder pH-veranderingen die samenhangen met CO₂. Daarnaast reageren perifere chemoreceptoren, vooral de carotislichaampjes, op arteriële zuurstofspanning, CO₂ en pH. Samen leveren ze belangrijke informatie aan de hersenstamnetwerken die de ademhaling organiseren. [1]

Dit is de fysiologische basis waarop veel ademonderwijs terecht voortbouwt. Maar om te begrijpen wat iemand voelt en doet, moeten we vervolgens drie zaken uit elkaar halen: de neurale aandrijving om te ademen, de bewuste ervaring van ademhonger en het vermogen die ervaring te verdragen.

Die processen hangen samen, maar kunnen verschillend veranderen.

Iemand kan de aandrang om te ademen duidelijk voelen en die ervaring relatief rustig verdragen. Iemand anders kan een vergelijkbare sensatie als bedreigend ervaren en daardoor eerder stoppen. Onderzoek naar ademhonger onderscheidt daarom de prikkel, de intensiteit van de sensatie en de emotionele reactie erop. Ook informatie over de daadwerkelijk gerealiseerde ademhaling beïnvloedt de ervaring. [2]

Dat onderscheid verandert hoe je een trainingseffect interpreteert. Als iemand na een aantal sessies langer zijn adem kan inhouden, heb je een verbetering van die taak gemeten. Mogelijk is de omgang met ongemak veranderd. Mogelijk begon de persoon met een ander longvolume of andere gaswaarden. Een verandering in chemosensitiviteit is eveneens een mogelijke verklaring, maar die volgt niet automatisch uit de tijdscore. [2, 5]

De ventilatoire gevoeligheid voor CO₂ is een specifieke meetgrootheid. Ze beschrijft hoeveel de ventilatie verandert bij een gecontroleerde verandering van CO₂. Daarvoor moet je de gascondities en meetomstandigheden beheersen. In onderzoek bij duikers wordt bijvoorbeeld tijdens een gecontroleerde CO₂-stijging de ventilatoire respons gemeten. Dat is wezenlijk een ander experiment dan een adempauze timen. [3]

Een studie van Courtney en Cohen maakt de beperking van de stopwatch concreet. Zij onderzochten bij 83 volwassenen de relatie tussen een volgens Buteyko-protocol uitgevoerde adempauze en end-tidal CO₂: de CO₂-waarde aan het einde van de uitademing. De verwachte positieve relatie werd niet gevonden. Er was juist een zwakke negatieve correlatie. De adempauze voorspelde in deze onderzoeksgroep de rustwaarde van end-tidal CO₂ dus niet zoals verondersteld. [4]

Dat betekent niet dat iedere adempauzetest nutteloos is. Het betekent dat je zorgvuldig moet blijven over wat een test vertegenwoordigt. End-tidal CO₂, arteriële CO₂ en de gevoeligheid van de ventilatoire regeling zijn verschillende grootheden. Je kunt ze niet vervangen door één aantal seconden.

Kijk vervolgens naar wat er tijdens ademinhouden gebeurt. De gaswisseling en stofwisseling gaan door, terwijl er tijdelijk geen verse lucht wordt aangevoerd. Het longvolume waarmee je begint, de uitgangswaarden van zuurstof en CO₂ en je energieverbruik beïnvloeden allemaal de duur. Een diepe inademing verandert zowel de gasvoorraad als de mechanische omstandigheden in de borstkas. [5]

Daar komt een opmerkelijk detail bij: het centrale ademritme lijkt tijdens vrijwillig ademinhouden door te lopen. Je onderdrukt tijdelijk de zichtbare uitvoering van dat ritme. Het zenuwstelsel blijft dus betrokken terwijl er aan de buitenkant weinig beweging te zien is. [5]

Een comfortabele pauze na een gewone uitademing en een maximale apneu na een diepe inademing belasten dit systeem op verschillende manieren. Onderwater zwemmen voegt daar spierarbeid en een andere omgeving aan toe. Zelfs het stopcriterium verandert wat je meet. Stoppen bij de eerste aandrang is een andere opdracht dan doorgaan tot je maximaal volgehouden hebt.

Onderzoek bij duikers laat zien waarom voorzichtigheid nodig is met algemene uitspraken over CO₂-tolerantie. Dujic en collega’s vergeleken 11 ervaren apneuduikers met 9 controlepersonen. De ventilatoire respons op gecontroleerde CO₂-verhoging was gemiddeld vergelijkbaar. Deze ervaren duikers hadden dus niet vanzelfsprekend een afgevlakte ventilatoire CO₂-respons. [3]

In een andere, kleine studie bij drie elite-apneuduikers uit één familie werd juist wel een verminderde respons gevonden. [6] De uitkomsten verschillen en de onderzoeksgroepen zijn klein. Ze ondersteunen daarom geen universeel profiel waaraan iedere goede duiker zou voldoen. Ze maken wel duidelijk dat ademinhoudvermogen meerdere verklaringen kan hebben.

Onder water speelt ook de circulatie mee. Apneu en gezichtsimmersie kunnen de duikrespons versterken, met veranderingen in hartslag en perifere doorbloeding. In een onderzoek bij tien apneuduikers ging gezichtsimmersie tijdens inspanning samen met een tragere afname van de zuurstofvoorraad. Het lichaam veranderde dus de manier waarop die voorraad werd aangesproken. [7]

Tegelijkertijd kan zeer koud water een ademstimulerende reactie oproepen die de maximale apneuduur verkort. [8] Water kan verschillende reacties uitlokken, afhankelijk van onder meer temperatuur en omstandigheden. De stap van ‘ik verdraag deze oefening goed’ naar ‘ik moet dus lang onder water kunnen blijven’ is fysiologisch te groot.

Hier hoort één praktische grens bij: ademhonger is geen betrouwbare zuurstofmeter. Hyperventilatie vooraf kan de aandrang uitstellen, terwijl zuurstof tijdens de adempauze blijft dalen. Daarom mag onderwater ademinhouden nooit alleen worden beoefend; het vraagt directe begeleiding door iemand die specifiek is getraind in het herkennen en opvangen van een blackout. [9]

Ook bij beweging heeft het brein meer informatie beschikbaar dan bloedgaswaarden alleen. Signalen die samenhangen met het aansturen van beweging en terugkoppeling uit werkende spieren dragen bij aan de ademregulatie. In onderzoek van Amann en collega’s verminderde het afzwakken van bepaalde spierafferente signalen de ventilatoire respons tijdens fietsen. [10]

Dat is relevant voor iedereen die met sporters werkt. Meer ademen tijdens inspanning betekent niet automatisch dat het CO₂-gehalte in het arteriële bloed is opgelopen. De ademhaling wordt mede aangepast door neurale informatie over de taak die wordt uitgevoerd. Over de precieze bijdrage van spierfeedback onder verschillende omstandigheden bestaat nog discussie. [1, 10]

Daarom moeten we ook preciezer worden met de uitdrukking ‘een verhoogde ademhaling’. Bedoelen we een hogere frequentie, grotere ademteugen of daadwerkelijk meer alveolaire ventilatie? Hyperventilatie ontstaat wanneer de alveolaire ventilatie te groot is voor de actuele CO₂-productie, waardoor de arteriële CO₂-spanning daalt. De frequentie alleen vertelt dat niet: ademdiepte en doderuimteventilatie tellen mee. [1]

De mechanica verdient evenveel aandacht. Lucht moet door de luchtwegen stromen. Longen en borstkas moeten bewegen. Dat vraagt arbeid, en de ervaring van die arbeid is niet hetzelfde als ademhonger. Ook beklemming vormt een te onderscheiden ademervaring. Wie alle ademklachten onder één noemer plaatst, verliest informatie die juist richting kan geven aan beoordeling en begeleiding. [2]

Tegelijkertijd moeten we ademhonger niet volledig aan de ademspieren toeschrijven. In een klassiek experiment bleef door CO₂ opgewekte ademhonger bestaan tijdens volledige neuromusculaire blokkade en kunstmatige ventilatie. Contractie van de ademspieren was dus niet noodzakelijk om die sensatie te laten ontstaan. [11] Dit is een krachtig voorbeeld van hoe het brein een lichamelijke behoefte kan laten ervaren zonder dat die ervaring simpelweg uit spierarbeid voortkomt.

Tijdens slaap verandert de context opnieuw. Bij obstructieve slaapapneu zijn meerdere eigenschappen relevant: de inklapbaarheid van de bovenste luchtweg, de reactie van luchtwegverwijdende spieren, de drempel voor ontwaken en de stabiliteit van de ventilatoire regeling. Eckert en collega’s brachten deze anatomische en niet-anatomische bijdragen in kaart. [12]

Je kunt de luchtweg voorstellen als de doorgang waarlangs de gewenste ventilatie moet worden gerealiseerd. De neurale aansturing kan aanwezig zijn, terwijl de doorgang tijdens slaap wordt beperkt. Tegelijk kan een sterke reactie van het regelsysteem bijdragen aan instabiliteit. Het gedrag van het geheel hangt af van de combinatie van eigenschappen.

Daaruit volgt een praktische conclusie: een lange vrijwillige adempauze overdag sluit een luchtwegprobleem tijdens de slaap niet uit. Dit is een gevolgtrekking uit de slaapfysiologie, geen directe uitkomst van een studie die zo’n adempauze als screeningstest heeft gevalideerd. Wie snurken of slaapklachten wil begrijpen, moet die verschijnselen gericht beoordelen. [12]

Dan het Bohr-effect. Dat beschrijft een reëel en belangrijk mechanisme: bij hogere CO₂ en lagere pH neemt de zuurstofaffiniteit van hemoglobine af. In actieve weefsels kan dat de zuurstofafgifte ondersteunen. [13]

De praktische betekenis daarvan wordt soms te ver doorgetrokken. Het mechanisme toont niet aan dat meer CO₂ onder alle omstandigheden beter is, of dat een langere adempauze automatisch de zuurstofvoorziening verbetert. Zuurstof moet eerst in de longen worden opgenomen, door het bloed worden vervoerd en in voldoende mate bij de weefsels aankomen. Daarbij tellen onder andere hemoglobinegehalte, zuurstofverzadiging en bloedstroom mee. Vervolgens moeten de weefsels zuurstof kunnen onttrekken en gebruiken. [13]

Een verandering in de zuurstofaffiniteit is dus één onderdeel van een veel langer proces. De aanwezigheid van een plausibel mechanisme vormt nog geen bewijs voor een specifieke gezondheidsclaim.

Diezelfde zorgvuldigheid helpt bij het beoordelen van ademmethoden. In een gerandomiseerde studie met 39 mensen met astma verminderde Buteyko-training het gebruik van kortwerkende luchtwegverwijders en het gemeten ademminuutvolume. End-tidal CO₂ steeg niet aantoonbaar en de longfunctie veranderde niet significant. [14]

Een methode kan dus een gunstig effect hebben zonder dat daarmee haar voorgestelde verklaring is bevestigd. Deze kleine, oudere studie sluit een rol voor CO₂ niet uit. Ze laat zien waarom we het gemeten resultaat en het veronderstelde mechanisme afzonderlijk moeten beoordelen.

Voor ademcoaches, therapeuten en sportprofessionals ontstaat hieruit een concrete werkwijze: begin met de vraag die je wilt beantwoorden. Kies vervolgens de observatie of meting die daarbij past. Een adempauze kan informatie geven over het uitvoeren en ervaren van die taak. Voor uitspraken over gaswaarden, chemosensitiviteit, luchtwegfunctie of slaap zijn andere gegevens nodig.

Beschrijf een verbetering bovendien eerst op het niveau waarop je haar hebt gemeten. ‘Deze persoon houdt onder dezelfde omstandigheden langer zijn adem in’ is een sterkere, beter verdedigbare uitspraak dan ‘de chemoreceptoren zijn gereset’. Je bewaart daarmee ruimte om te onderzoeken waardoor de verandering is ontstaan.

Vanuit dat perspectief kunnen we respiratoire veerkracht formuleren als het vermogen om de ademhaling passend aan veranderende omstandigheden aan te passen en na belasting te herstellen. Hier is dat een voorgesteld overkoepelend onderwijsbegrip; het is geen afzonderlijk gevalideerde meetuitkomst.

Het doel wordt daarmee breder dan zo weinig mogelijk ademen of zo lang mogelijk niet ademen. Het gaat om een ademhaling die past bij de taak, voldoende gaswisseling mogelijk maakt en kan meebewegen met wat het lichaam nodig heeft.

CO₂ helpt ons begrijpen waarom we ademen. De samenwerking tussen hersenen, luchtweg, ademspieren, stofwisseling en circulatie helpt ons begrijpen hoe we ademen, wat we daarbij ervaren en waarom dat per situatie kan veranderen.

Precies om deze reden heb ik de website over respiratoire veerkracht, in het Engels RespiratoryResilience.com in het leven geroepen.

Bronnen

Dit artikel is een narratieve synthese van geselecteerde fysiologische en klinische literatuur, geen systematische review. De praktijkvoorbeelden zijn observaties van Steven Zwerink; mogelijke verklaringen zijn als interpretatie beschreven. Kleine studies bij elite-apneuduikers zijn niet zonder meer te generaliseren naar cliënten of patiënten.

  1. Guyenet PG, Bayliss DA. Neural Control of Breathing and CO₂ Homeostasis. Neuron. 2015;87:946–961.
    https://doi.org/10.1016/j.neuron.2015.08.001
  2. Banzett RB, Lansing RW, Binks AP. Air Hunger: A Primal Sensation and a Primary Element of Dyspnea. Comprehensive Physiology. 2021;11:1449–1483.
    https://doi.org/10.1002/cphy.c200001
  3. Dujic Z et al. Central chemoreflex sensitivity and sympathetic neural outflow in elite breath-hold divers. Journal of Applied Physiology. 2008;104:205–211.
    https://doi.org/10.1152/japplphysiol.00844.2007
  4. Courtney R, Cohen M. Investigating the claims of Konstantin Buteyko, M.D., Ph.D.: the relationship of breath holding time to end tidal CO₂ and other proposed measures of dysfunctional breathing. 2008;14:115–123.
    https://doi.org/10.1089/acm.2007.7204
  5. Parkes MJ. Breath-holding and its breakpoint. Experimental Physiology. 2006;91:1–15.
    https://doi.org/10.1113/expphysiol.2005.031625
  6. Ventilatory responses to hypercapnia and hypoxia in elite breath-hold divers. 1994.
    https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/7973136/
  7. Arterial oxygen saturation and diving response during dynamic apneas in breath-hold divers. 2009.
    https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/18298614/
  8. Human face-only immersion in cold water reduces maximal apnoeic times and stimulates ventilation. 2006.
    https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/17099062/
  9. Divers Alert Network. Hypoxia in Breath-Hold Diving; Freediving Safety Awareness.
    https://dan.org/alert-diver/article/hypoxia-in-breath-hold-diving/
    en
    https://dan.org/alert-diver/article/freediving-safety-awareness/
  10. Amann M et al. Group III and IV muscle afferents contribute to ventilatory and cardiovascular response to rhythmic exercise in humans. 2010.
    https://doi.org/10.1152/japplphysiol.00462.2010
  11. Banzett RB et al. ‘Air hunger’ from increased PCO₂ persists after complete neuromuscular block in humans. Respiration Physiology. 1990;81:1–17.
    https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/2120757/
  12. Eckert DJ et al. Defining phenotypic causes of obstructive sleep apnea. Identification of novel therapeutic targets. 2013.
    https://doi.org/10.1164/rccm.201303-0448OC
  13. Relating oxygen partial pressure, saturation and content: the haemoglobin–oxygen dissociation curve. 2015.
    https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC4666443/
  14. Bowler SD, Green A, Mitchell CA. Buteyko breathing techniques in asthma: a blinded randomised controlled trial. Medical Journal of Australia. 1998;169:575–578.
    https://www.mja.com.au/journal/1998/169/11/buteyko-breathing-techniques-asthma-blinded-randomised-controlled-trial

Over de auteur

Leer nu alles over ademfysiologie en maak het verschil in jouw vakgebied!

Er is werk aan de winkel. De ademhaling verdient meer tijd en aandacht in verschillende werkvelden om prestaties, slaap en kwaliteit van leven te vergroten en afhankelijk van medicatie daar waar mogelijk te verminderen. In de theoretische leergang verkrijg je diepgaande kennis over de ademhaling en hoe je disfunctioneel ademhalen professioneel kunt testen, meten en aanpakken.

Verder lezen?

Bekijk hieronder de meest recente publicaties. Of klik hier voor alle berichten inclusief een filteroptie. 

Ademhaling begrijpen voorbij CO₂-tolerantie

Over CO₂, het brein en waarom een lange adempauze maar een deel van het verhaal vertelt. Stel je twee mensen voor. De eerste verdraagt tijdens ...

Ademregulatie bij kinderen na beademing: kijken we wel naar de juiste signalen?

Een verkennend praktijkonderzoek naar ademregulatie bij kinderen die vijf dagen of langer beademd zijn geweest. Over subtiele signalen die niet op een monitor verschijnen, maar ...

Begin (weer) bij de A. De A van Airway.

Iedereen in de zorg kent deze regel: A – Airway B – Breathing C – Circulation Een van de oudste en meest fundamentele regels uit ...