Van CO₂-tolerantie naar respiratoire veerkracht: een noodzakelijke herdefinitie van ademtraining

De afgelopen jaren is het gesprek over ademhaling sterk versmald geraakt. Wie zich verdiept in ademtraining, sportprestatie of herstel, komt al snel uit bij één dominant begrip: CO₂-tolerantie. Het idee is aantrekkelijk in zijn eenvoud. Als je beter om kunt gaan met stijgende CO₂, blijf je rustiger, presteer je langer en herstel je sneller.

Maar die eenvoud is ook het probleem.

CO₂-tolerantie beschrijft slechts één waarneembaar effect binnen een veel groter systeem. Het reduceert ademhaling tot een chemisch vraagstuk en doet daarmee geen recht aan wat ademhaling werkelijk is: een geïntegreerd regelsysteem waarin mechanica, neurologie en chemie voortdurend met elkaar in wisselwerking staan en diverse andere systemen in het lichaam beïnvloeden.

In dit artikel introduceren we daarom een breder en nauwkeuriger kader: respiratoire veerkracht. Niet als nieuw modewoord, maar als noodzakelijke herdefinitie van hoe we ademtraining begrijpen, beoordelen en toepassen.

Ademhaling als geïntegreerd systeem

Ademhaling is geen techniek. Het is geen spier die je “traint” en ook geen knop die je simpelweg harder of zachter zet. Je ademprikkel is veelal geen noodsignaal, maar wordt vaak zo geïnterpreteerd. Wanneer CO₂ stijgt en de pH iets daalt, sturen chemoreceptoren een signaal naar het brein. Dat signaal is in essentie neutraal: “let op, er verandert iets in de interne chemie.” Maar bij veel mensen wordt dit signaal razendsnel vertaald naar:

  • onrust,

  • spanning,

  • controleverlies,

  • of zelfs paniek.

Dat is geen teken van zwakte. Het betekent dat het zenuwstelsel heeft geleerd om interne ademprikkels als bedreigend te interpreteren. De koppeling tussen prikkel en reactie is dan kort en scherp. Je zou het kunnen vergelijken met een rookmelder die al afgaat bij stoom uit de douche. En net als bij de rookmelder die niet goed afgaat, wil je ook de ademhaling zo afgesteld hebben dat alleen bij echte aanleiding de paniek toeslaat. Daarvoor is het belangrijk om te begrijpen dat de ademhaling een regelsysteem is dat voortdurend informatie verwerkt uit drie domeinen:

  1. het mechanische domein: hoe efficiënt kan lucht worden verplaatst?

  2. het neurofysiologische domein: hoe wordt die ademhaling aangestuurd en gereguleerd?

  3. het chemische domein: hoe gaat het lichaam om met CO₂, pH en buffering?

Pas wanneer deze drie domeinen voldoende veerkracht hebben, kan ademhaling zich aanpassen aan wisselende omstandigheden zonder te ontsporen. Dat aanpassingsvermogen noemen we respiratoire veerkracht.

1. Mechanische veerkracht: de fysieke basis van ademhaling

Elke ademhaling begint met mechanica. Lucht verplaatsen vereist ruimte, beweging en drukverschil. De fysieke structuur die dit mogelijk maakt, kunnen we zien als het ademcircuit: neus en bovenste luchtweg, ribbenkast, diafragma, buikwand, bekkenbodem en houding.

Wat mechanische veerkracht betekent

Mechanische veerkracht is het vermogen van dit circuit om zich aan te passen aan verschillende eisen:

  • in rust met minimale inspanning te functioneren,

  • bij inspanning volume en frequentie op te schalen,

  • en daarna weer efficiënt terug te keren naar rust.

Een mechanisch veerkrachtig ademcircuit:

  • verdeelt beweging over ribben, diafragma en buik (360° expansie),

  • gebruikt weinig hulpademhalingsspieren,

  • kan ademvolume aanpassen zonder spanning of blokkades.

Wanneer deze veerkracht ontbreekt, ontstaat compensatie. De ademhaling wordt hoger, sneller of oppervlakkiger, niet omdat dat efficiënt is, maar omdat het systeem geen andere optie heeft.

Diafragmaal ademen: meer dan “de buik laten uitzetten”

Het diafragma speelt hierin een sleutelrol, maar vaak wordt zijn functie versimpeld. Diafragmaal ademen is niet hetzelfde als alleen de buik naar voren duwen. Het diafragma werkt optimaal wanneer:

  • ribben kunnen uitzetten,

  • de buikwand mee kan bewegen,

  • en de bekkenbodem de drukverdeling ondersteunt.

Mechanische veerkracht betekent dus niet één ademstijl, maar mechanische keuzevrijheid. Het systeem kan schakelen zonder vast te lopen. En dan hebben we het nog niet over de limitaties die anatomisch waargenomen kunnen worden door tongpositie, boven- en of onderkaak, keelamandelen, neusamandelen of allergieën.

2. Neurofysiologische veerkracht: van prikkel naar reactie

Het tweede domein is de aansturing van de ademhaling. Ademhaling wordt grotendeels automatisch gereguleerd via het autonome zenuwstelsel. Chemische signalen, mechanische feedback en emotionele prikkels worden vertaald naar ademfrequentie en -diepte.

Ademdrive en gevoeligheid

Bij lage neurofysiologische veerkracht is de koppeling tussen prikkel en reactie strak:

  • lichte interne stress → snelle ademverandering,

  • ademverandering → verdere ontregeling van het zenuwstelsel.

Bij hoge veerkracht is er buffer in de reactie. De prikkel wordt waargenomen, maar leidt niet direct tot escalatie. Dit zie je bij ervaren sporters, freedivers en mensen met goed ontwikkelde lichaamsregulatie, ervaring met meditatie en over het algemeen met een hoge HRV.

De rol van training

Ademtraining werkt hier niet doordat iemand “leert tegen ademdrang te vechten”, maar doordat het zenuwstelsel opnieuw leert hoeveel respons nodig is. Door herhaald blootgesteld te worden aan milde, controleerbare ademprikkels, verandert de interpretatie van interne signalen. Neurofysiologische veerkracht is dus het vermogen om:

  • ademprikkels te voelen,

  • zonder dat ze automatisch tot stress of paniek leiden,

  • en om na belasting snel terug te keren naar rust.

3. Chemische veerkracht: CO₂, pH en het bicarbonaat buffersysteem

Om goed te begrijpen waarom CO₂-tolerantie wél degelijk trainbaar is, moeten we één laag dieper kijken dan het gevoel van ademdrang. Dat gevoel is slechts het eindpunt van een chemisch proces dat zich continu in je lichaam afspeelt. De hoofdrol daarin is weggelegd voor het bicarbonaatbuffersysteem.

Wanneer je lichaam CO₂ produceert – bij inspanning, stress of een adempauze – gebeurt er iets ogenschijnlijk eenvoudigs, maar fysiologisch zeer verfijnds. CO₂ lost op in water (en je bloed bestaat grotendeels uit water) en vormt koolzuur. Dat koolzuur valt uiteen in waterstofionen (H⁺) en bicarbonaat (HCO₃⁻). De waterstofionen maken het bloed zuurder. Dáár reageert je lichaam op.

Die reactie verloopt in twee stappen. Eerst is er het buffersysteem. Het bicarbonaat bindt een deel van die waterstofionen, waardoor de zuurgraad minder snel verandert. Je kunt het zien als een spons: hoe beter de spons werkt, hoe meer “zuur” hij tijdelijk kan opnemen zonder dat alles meteen nat wordt. Pas daarna komen de longen en – op langere termijn – de nieren in actie om de balans structureel te herstellen.

Wat betekent dit voor CO₂-tolerantie?

CO₂-tolerantie betekent níet dat je lichaam ineens “ongevoelig” wordt voor CO₂. Het betekent dat je lichaam beter wordt in het opvangen en dempen van de gevolgen van CO₂-stijging, met name de verzuring die daarbij hoort. Dat gebeurt onder andere via het bicarbonaatbuffersysteem.

Bij iemand met een lage chemische veerkracht leidt een kleine stijging van CO₂ al snel tot een duidelijke pH-verandering. Die pH-verandering activeert chemoreceptoren, die op hun beurt een sterke ademprikkel geven: sneller, dieper ademen. Het systeem grijpt vroeg en heftig in.

Bij iemand met hogere chemische veerkracht kan dezelfde CO₂-stijging langer worden opgevangen. Het buffer vangt meer waterstofionen weg, waardoor de pH stabieler blijft. De chemoreceptoren worden minder snel en minder sterk geactiveerd. Het gevolg: de ademprikkel komt later en is minder intens. Dat ervaren we als “meer CO₂-tolerantie”.

En hier zit de trainbaarheid.

Door herhaaldelijk en gecontroleerd CO₂ te laten stijgen – bijvoorbeeld via rustige adempauzes, vertraagde ademhaling of nasale ademhaling bij lage intensiteit – wordt dit buffersysteem functioneel belast. Net als bij andere fysiologische systemen geldt: wat je herhaaldelijk, mild en veilig belast, past zich aan. Niet omdat er plots veel meer bicarbonaat ontstaat in één sessie, maar omdat het hele regulatiesysteem efficiënter leert omgaan met tijdelijke verzuring.

Dit verklaart ook waarom dit tijd kost. Het bicarbonaatbuffersysteem werkt samen met de nieren, en die reageren niet in minuten maar in uren tot dagen. Structurele aanpassing vraagt herhaling over weken. Daarom voelt “CO₂-tolerantie” vaak niet als een spectaculaire sprong, maar als een geleidelijke verschuiving: je blijft rustiger, je ademt minder snel op, en je systeem raakt minder snel ontregeld.

Kortom: CO₂-tolerantie is geen mentale truc en geen mystiek vermogen. Het is voor een belangrijk deel het gevolg van chemische veerkracht: het vermogen van je lichaam om CO₂-gerelateerde verzuring te bufferen voordat het ademhalingssysteem in de stress schiet. Het bicarbonaatbuffersysteem vormt daarin een cruciale, trainbare schakel.

4. Freediving als voorbeeld van respiratoire veerkracht

Freediving biedt een uniek en vaak verkeerd begrepen inkijk in respiratoire veerkracht. Freedivers trainen niet simpelweg “adem inhouden”. Zij trainen hun vermogen om interne druk te dragen zonder ontregeling.

Waarom de beste duiken zelden de eerste zijn

Ervaren freedivers weten: de langste of meest ontspannen duik komt vaak pas later in de sessie. Dat heeft meerdere redenen, maar fysiologisch gezien gebeurt er iets belangrijks:

  • de ademdrive kalibreert zich,

  • het zenuwstelsel wordt rustiger bij CO₂-stijging,

  • het buffersysteem is actief,

  • De duikreflex wordt met iedere duik sterker.
  • de mechanica beweegt vrijer door afgenomen spanning.

Het systeem is als het ware “op temperatuur”. Niet omdat CO₂ verdwijnt, maar omdat het lichaam geleerd heeft de signalen beter te dragen.

Freediving laat zien wat ademtraining wél en niet is

Freediving maakt één ding glashelder: respiratoire veerkracht ontstaat niet door forceren. Wie tegen ademdrang vecht, verliest. Wie leert reguleren, wint ruimte.

Dat maakt freediving geen extreme sport in fysiologische zin, maar een voorbeeld van ademregulatie onder druk. De principes zijn hetzelfde als bij topsport of stressbestendigheid; alleen de context verschilt.

De samenhang: waarom één facet nooit genoeg is

Deze drie facetten bestaan niet los van elkaar.

  • Slechte mechanica leidt tot over- of onderventilatie, wat CO₂ verlaagt of verhoogt en de ademdrive gevoeliger of juist ongevoeliger maakt.

  • Een overactief zenuwstelsel verhoogt spierspanning, wat mechanica beperkt.

  • Een instabiel chemisch milieu versterkt ademprikkels, wat neurologische stress vergroot.

Respiratoire veerkracht ontstaat alleen wanneer alle drie de facetten voldoende speelruimte hebben. Ademtraining die zich uitsluitend richt op CO₂, maar mechanica en neurologie negeert, blijft daarom beperkt in effect.

Onderhoud in rust: de rol van nachtelijke ademhaling

Veerkracht wordt opgebouwd tijdens training en vooral onderhouden in rust. Tijdens slaap wordt het ademhalingssetpoint opnieuw afgesteld. Chronische mondademhaling verhoogt ventilatie, verlaagt CO₂-tonus en verkleint de chemische bufferzone.

Nasale ademhaling tijdens rust en slaap ondersteunt:

  • lagere, stabielere ventilatie,

  • efficiënter gebruik van het ademcircuit,

  • en een rustiger neurofysiologisch profiel.

Het is geen techniek, maar een onderhoudsconditie voor respiratoire veerkracht.

Medische nuance: veerkracht heeft grenzen

Respiratoire veerkracht is context afhankelijk. Bij gezonde mensen kan tijdelijke CO₂-stijging een trainbare prikkel zijn. Bij mensen met pulmonale aandoeningen – zoals COPD, ernstig astma of pulmonale hypertensie – is de beschikbare veerkracht vaak kleiner (maar mogelijk wel te trainen).

Daar kan dezelfde prikkel leiden tot CO₂-retentie en respiratoire acidose of alkalose. Het verschil zit niet in de oefening, maar in de fysiologische reserve van het systeem. Dit vraagt om zorgvuldige screening en samenwerking met medische professionals.

Tot slot: een volwassen kader voor ademtraining

Door ademhaling te benaderen vanuit respiratoire veerkracht verschuift het gesprek fundamenteel. Niet langer gaat het over één variabele of één techniek, maar over het aanpassingsvermogen van een systeem. CO₂ is daarin geen doel, maar een signaal. Het bicarbonaatbuffersysteem is geen truc, maar een fundament. Mechanica en neurologie zijn geen bijzaak, maar voorwaarden.

Respiratoire veerkracht verbindt sport, zorg en dagelijks functioneren in één fysiologisch coherent verhaal.

En precies daarom is het tijd om het resultaat van ademtraining opnieuw te definiëren en respiratoire veerkracht zou zomaar eens de lading kunnen dekken., wat vind jij?

Over de auteur

Leer nu alles over ademfysiologie en maak het verschil in jouw vakgebied!

Er is werk aan de winkel. De ademhaling verdient meer tijd en aandacht in verschillende werkvelden om prestaties, slaap en kwaliteit van leven te vergroten en afhankelijk van medicatie daar waar mogelijk te verminderen. In de theoretische leergang verkrijg je diepgaande kennis over de ademhaling en hoe je disfunctioneel ademhalen professioneel kunt testen, meten en aanpakken.

Verder lezen?

Bekijk hieronder de meest recente publicaties. Of klik hier voor alle berichten inclusief een filteroptie. 

ademfysiologie

Van CO₂-tolerantie naar respiratoire veerkracht: een noodzakelijke herdefinitie van ademtraining

De afgelopen jaren is het gesprek over ademhaling sterk versmald geraakt. Wie zich verdiept in ademtraining, sportprestatie of herstel, komt al snel uit bij één ...
ademfysiologie

Waarom bewust ademen belangrijker is dan de ademtechniek die je kiest

We weten precies hoeveel stappen we per dag zetten. We houden onze slaap bij, tellen calorieën en krijgen meldingen als we te lang zitten. Maar ...

Wat Formule 1 ons leert over ademhaling, en waarom millimeters soms het verschil maken tussen uitval en topprestatie

In de wereld van de Formule 1 weten ze iets wat we in de zorg, sport en het onderwijs opvallend vaak vergeten. Dat minimale aanpassingen ...